maart 2019

Fietsen draagt bij aan gewichtsafname

Van de Nederlanders van 18 jaar en ouder is 50% te zwaar, 14% is zelfs veel te zwaar. 
Jaarlijks stijgen deze percentages. Overgewicht is ongezond en obesitas, ernstig overgewicht, wordt zelfs gezien als een gevaar voor de volksgezondheid.  Bewegen en (dus ook) fietsen leidt aantoonbaar tot een gewichtsafname. Fietsbeleid is daarmee ook gezondheidsbeleid.


 Volgens het RIVM is in Nederland 50% van de volwassenen ‘te zwaar’ in 2017. ‘Te zwaar’ definieert het RIVM als een Body Mass Index (BMI) boven de 25. Een BMI boven de 30 geldt als extreem overgewicht, of obesitas. Veertien procent van de Nederlanders van 18 jaar en ouder heeft obesitas. In het begin van de 90-er jaren was dat 6% (zie onderstaande figuur). Oftewel, obesitas is in de afgelopen 30 jaar meer dan verdubbeld.

Meer mannen dan vrouwen blijken overgewicht te hebben, terwijl meer vrouwen dan mannen ernstig overgewicht hebben. Het percentage mensen met overgewicht neemt toe met de leeftijd. Ook blijkt dat overgewicht vaker voorkomt bij mensen met een lager opleidingsniveau. De toename van het aantal mensen met overgewicht is te wijten aan een toegenomen consumptie en afname van de conditie.

Figuur: Ontwikkeling tussen 1990 en 2017 van het aandeel van de bevolking van 18 jaar en ouder met overgewicht en ernstig overgewicht (bron: CBS i.s.m. RIVM, 2017)



De regionale verdeling van obesitas binnen Nederland in 2016 is weergegeven in onderstaande figuur. Grote gemeenten als Groningen, Amsterdam en Utrecht kennen (relatief) een laag percentage overgewicht. Het percentage volwassenen met overgewicht is het hoogst in de GGD-regio’s Zuid-Holland Zuid, Oost Groningen, Twente, Drenthe, Zuid-Limburg en Zaanstreek-Waterland.


Figuur: Percentage van de bevolking ouder dan 19 jaar met overgewicht op gemeente niveau 


Hoe beïnvloedt obesitas de gezondheid?
Overgewicht en ernstig overgewicht kunnen leiden tot verschillende ziekten en aandoeningen. Het risico stijgt naarmate de Body Mass Index (BMI) toeneemt. Overgewicht is verantwoordelijk voor meer dan twee vijfde van nieuwe gevallen van diabetes mellitus type 2. Volwassenen met een BMI hoger dan 30 hebben 5-12 keer meer kans op suikerziekte, en 2 tot 4 keer meer kans op hartziekten en een aantal vormen van kanker, dan volwassenen met een normaal gewicht. Ongeveer één op de tien gevallen van hart- en vaatziekten in Nederland is toe te schrijven valt aan overgewicht. Andere aandoeningen die in verband staan met (ernstig) overgewicht zijn: aandoeningen van het bewegingsstelsel, aandoeningen van de ademhalingswegen, depressie, angststoornissen en onvruchtbaarheid.

Het gezondheidsverlies door overgewicht en ongezonde voeding samen is vergelijkbaar met het gezondheidsverlies door roken. Het RIVM berekende dat overgewicht en roken samen verantwoordelijk zijn voor 20 tot 25% van het gezondheidsverlies als gevolg van ongezond gedrag, zoals roken, en ongezonde persoonsgebonden factoren, zoals het wonen aan een drukke weg. Als niemand in Nederland te zwaar zou zijn, dan zou de levensverwachting naar schatting een half jaar hoger zijn geweest. En als niemand zou roken, dan zou de levensverwachting in Nederland  naar schatting bijna twee jaar hoger zijn geweest.

In 2018 is 8,1% van de totale ziektelast toe te schrijven aan ongezonde voeding en 3,7% aan overgewicht. Het gezondheidsverlies door overgewicht en het eten van ongezonde voeding bedraagt naar schatting 300.000 tot 400.000 DALY’s. Ter vergelijking: het aantal DALY’s als gevolg van verkeersonveiligheid bedraagt in Nederland ongeveer 75.000.


Kritiek op BMI
De BMI lijkt een wetenschappelijk verantwoorde maat voor het al dan niet hebben van onder- of overgewicht. Niets is minder waar. De BMI is circa 200 jaar geleden bedacht door een Belgische wiskundige die geen verstand had van voeding noch gezondheid. Met trial and error heeft hij bedacht dat de formule ‘gewicht gedeeld door lengte in het kwadraat’ de beste resultaten gaf voor zijn onderzoekspopulatie. Er zijn verschillende kritiekpunten op de BMI:
-          de grenzen voor onder- en overgewicht zijn gebaseerd op een relatief inactieve onderzoeksgroep, bij actieve mensen is bij hetzelfde lichaamsgewicht minder vaak sprake van overgewicht dan bij inactieve mensen;
-          buikomvang is een belangrijke indicatie voor daadwerkelijk overgewicht, maar speelt in de formule alleen een indirecte rol;
-          de BMI maakt geen onderscheid tussen botten, spierweefsel en vet. Goed getrainde mensen of mensen met zware botten kunnen qua BMI hetzelfde scoren als mensen met veel vetweefsel.

De BMI is een goede maat voor grootschalig bevolkingsonderzoek. Voor individuele beoordeling van overgewicht is de BMI veel minder geschikt.
Om overgewicht te meten is het beter om het vetpercentage te meten. Een vetpercentage hoger dan 32% geldt bij vrouwen als overgewicht, bij mannen is dit 25%. 

Hoe houdt obesitas verband met bewegen?
Uit verschillende onderzoeken (zie Hess en Russell, 2012) blijkt er een verband te bestaan tussen de mate waarin mensen bewegen en hun Body Mass Index (BMI). 

Onduidelijkheid relatie lichaamsgewicht en activiteit

Het lastige is dat de wetenschappers het (nog) niet eens zijn over hoe sterk de verbanden zijn tussen de mate waarin mensen bewegen en hun BMI en bovendien vinden niet alle onderzoeken significante verbanden.

Het RIVM concludeert op basis van een literatuuronderzoek dat meer lichamelijke activiteit niet per definitie leidt tot minder lichaamsgewicht (Milder et al., 2010). Vaak compenseren mensen veel bewegen met meer voedselinname. Daarnaast kunnen mensen wanneer zij bijvoorbeeld van en naar het werk gaan fietsen, besluiten om ’s avonds niet meer te gaan hardlopen


Nog interessanter is dat dezelfde onderzoeken in veel gevallen ook een verband vinden tussen de inrichting van de stedelijke omgeving (o.a. hoge of lage dichtheid) en/of de toegang tot openbaar vervoer en de mate waarin de inwoners bewegen. Er lijkt dus een verband te bestaan tussen ruimtelijke ordenings- en mobiliteitsbeleid en de mate van overgewicht.

Onder andere effectief beleid, educatieprogramma’s en financiële prikkels gericht op meer bewegen en/of gezonder/minder eten kunnen leiden tot minder overgewicht in de populatie.  

Een van de manieren om meer te gaan bewegen is door in plaats van de auto de fiets te gebruiken. Onder de vlag van het Beter Benutten programma van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn meerdere projecten te vinden die het gebruik van de fiets, als vervanger van de auto, in het woon-werk verkeer stimuleren. Voorbeelden zijn Slim & Snel, Mobiliteitsbudgetten, B-riders, Spitsfietsen,    Twee werkdagen op de fiets en Trappers .

Een andere manier om actieve vervoerwijzen te bevorderen zijn projecten waarin lopen naar school wordt gestimuleerd, zoals de loopbus,   het schoolvervoerplan Octopusplan,  Hounslow Active Travel,  Walk to School.


Leidt meer fietsen tot minder overgewicht?
Onderstaande figuur toont in hoeverre het totaal aantal fietskilometers per inwoner in een gemeente afwijkt van het landelijk gemiddelde. Gemiddeld fietst een Nederlander 959 kilometer per jaar in de periode 2021-2017 (bron: OViN). Maar de verschillen tussen gemeenten zijn groot. In het heuvelachtige Zuid-Limburg ligt het fietsgebruik in alle gemeenten fors onder het gemiddelde, behalve in Maastricht. Opvallend is ook dat in het zuidoosten van de provincie Groningen en in de regio rond Rotterdam het fietsgebruik relatief gering is, net als in Flevoland. Van de vier grote steden scoren Utrecht en Amsterdam boven het gemiddelde. ’s-Gravenhage en vooral Rotterdam en omgeving liggen qua fietsgebruik ver onder het gemiddelde.

Figuur: Afwijking van het landelijk gemiddelde aantal fietskilometers per inwoner per jaar,
op gemeenteniveau tussen 2012 en 2017


Opmerkelijk is bovendien dat overgewicht veel meer voorkomt daar waar men weinig fietst (zie de vergelijking tussen onderstaande figuren):



Kanttekening is wel dat het aantal fietskilometers komt uit de OViN enquête en dus zeker voor minder grote gemeenten grote onnauwkeurigheden vertoont. Het OViN is bedoeld voor uitspraken op landelijk niveau. Grosso modo lijkt er echter wel een verband te bestaan.

Onderstaande tabel toont de vijf gemeenten, groter dan 50.000 inwoners, waar men het meest fietst, en de vijf gemeenten waar men het minst fietst. Inwoners van Groningen fietsen bijna een factor 4 meer dan inwoners van Heerlen. En ook in de gemeenten Katwijk, Almaar Woerden en Leiden fietsen de inwoners relatief veel: 40% meer dan de gemiddelde Nederlander.

Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners waar het meest wordt gefietst
Top 5 gemeenten > 50.000 inwoners waar het minst wordt gefietst
Gemeente
Fietskilometers.
Gemeente
Fietskilometers
Groningen
1453
Heerlen
407
Zwolle
1332
Nissewaard
592
Katwijk
1325
Almere
594
Alkmaar
1315
Sittard-Geleen
626
Leiden
1242
Purmerend
656

Tabel: De vijf gemeenten, groter dan 50.000 inwoners, waar het meest en het minst wordt gefietst (in fietskilometers per inwoner per jaar) Bron: OViN 2012-2017


Een vergelijkbare exercitie met data voor de periode 2002-2008 en 2010-2013 laat zien dat destijds Zwolle en Groningen ook in de top 5 stonden van gemeenten waar het meest gefietst wordt. En bij de gemeenten die het minst fietsen, was Heerlen destijds ook al koploper. Ook het aantal fietskilometers per persoon per jaar verandert maar weinig door de jaren heen. Dit laat zien dat het niet eenvoudig is om in een periode van enkele jaren het fietsgebruik te veranderen.

Tenslotte zijn in onderstaande figuur het percentage overgewicht en het aantal fietskilometers per inwoner tegen elkaar afgezet. Daaruit komt naar voren dat er op gemeentelijk niveau een licht verband is tussen meer fietsen en een lager percentage overgewicht (r = -0,36). Bedacht moet worden dat naast bewegen nog andere factoren van invloed zijn op het percentage overgewicht, zoals de demografische en sociaaleconomische samenstelling.

Figuur: Gemiddeld aantal fietskilometers per persoon per dag (2012-2017) 
versus het percentage overgewicht (2016), per gemeente. 
Bron: OViN en CBS Statline, 2017

Hoewel deze grafiek geen oorzakelijk verband aantoont geeft het Fietsberaad wel de volgende indicatie:
  • Bij 10 procent meer fietsgebruik daalt het percentage inwoners met bewegingsarmoede met 1,5 procent-punten. Dit wordt bereikt als een gemiddelde inwoner per dag 1 minuut en 15 seconden langer op de fiets zit.
Fietsen en lopen leveren ook de meeste voldoening van de verschillende vervoermiddelen (zie Prestaties van vervoerwijzen).

Relevante websites en literatuur




Geen opmerkingen:

Een reactie posten